Ontstaansgeschiedenis

De huidige Oosterschelde is het resultaat van de eeuwenoude strijd tussen mens en zee. De dijken van de (voormalige) eilanden Schouwen-Duiveland, Sint Philipsland en Tholen, Noord-Beveland, Zuid-Beveland en de dammen van de Deltawerken omsluiten het water. Het inpolderen van schorgebieden en weer prijs moeten geven van eerder gewonnen land wisselen elkaar doorlopend af.

Tot in de middeleeuwen was de Oosterschelde een relatief kleine rivierarm, die in de loop van de eeuwen uitdijde tot een machtige stroom. Door verlegging van stromingen en slecht dijkonderhoud werd de mens gedwongen zich stukje bij beetje terug te trekken en land op te geven. Het land werd keer op keer getroffen door watersnoden. De laatste was in 1953, waarna men heeft besloten tot een versnelde uitvoering van de Deltawerken.

Deltaplan

Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw was de Oosterschelde een open rivierdelta, waar het zoute zeewater bij vloed tot diep in de rivierarmen stroomde. Het mengde zich daar met zoet rivierwater, dat via onder meer de Oosterschelde naar zee werd afgevoerd. Door deze menging van zoet en zout water was het achter in de Oosterschelde brak met een kenmerkende flora en fauna. Na uitvoering van het Deltaplan is de Oosterschelde door de Philips- en Oesterdam van de rivieren afgesneden. Zo is de Oosterschelde een zeearm geworden met een min of meer permanent zoutgehalte. Bovendien is met het gereedkomen van de dammen de oppervlakte van de zeearm behoorlijk teruggebracht. Stroomsnelheden zijn afgenomen, het water is helderder geworden en door de stormvloedkering is ook het getijverschil afgenomen.

Ondanks de strijd is de zee ook een vriend van de mens. De zee brengt ons voedsel en biedt mogelijkheden voor vervoer over water. De mens maakt er van oudsher gebruik van en drukt nadrukkelijk zijn stempel op het gebied. Naast de visserij en de scheepvaart is met name de recreatiesector voor vele bewoners van het Oosterscheldegebied een belangrijke bron van inkomsten geworden.

afdrukken