Oester

In Nederland worden twee soorten oesters gevist en gekweekt. De oester die van oorsprong in ons land voorkomt, is de platte oester. De Japanse oester, in de volksmond creuse genoemd, is in de jaren '70 in de Zeeuwse wateren geïntroduceerd. In de Oosterschelde komt op dit moment alleen nog de Japanse oester in het wild voor.

 

De Japanse Oester groeit in de grilligste vormen overal op harden ondergronden (zoals dijken) en kan op de zandige of slikkige bodem hele oesterbanken maken.

 

In de zomermaanden melken de oesters. Dit houdt in dat ze zich aan het voortplanten zijn. Al hun energie gaat daarin zitten. Gevolg is dat ze erg mager en wrang van smaak zijn. Vanaf september begint het oesterseizoen weer officieel.

Eten in het veld:

openmaken en rauw opeten. Tijdens het openmaken kunnen er kleine stukjes schelp loskomen. Verwijder deze eerst zorgvuldig.

 

Oesters opensteken:

  1. Leg de schelp in je hand, de brede kant tegen de muis van je duim. Steek het mes tussen de oester en snij de spier los. Dit gaan niet makkelijk, dus wees voorzichtig!
  2. Haal de bovenste schelp eraf. Snij nu ook de spier aan de onderkant van de oester los. Voorzichtig, let op dat je hem niet kapot snijdt.
  3. Draai de oester om en leg hem in het oestervocht.
  4. Eet smakelijk.

Recept voor thuis:

Oesters openen met oestermes en uit de schelp nemen. Het oestervocht zeven en opvangen. Schelpen schoonspoelen en droogdeppen. In een kommetje de balsamicoazijn, oestervocht, vissaus, olie en de honing door elkaar roeren. Bieslook klein knippen en aan de dressing toevoegen. Oesters terug in de schelp leggen en dressing erover.