Vogels

Grote aantallen vogels en vogelsoorten vinden in en rond de Oosterschelde voedsel, rust en een plek om te broeden.

 

Als het in de Oosterschelde laag water is, dan scharrelen veel vogels hun maaltje bij elkaar op de drooggevallen slikken en platen. Er lopen veel bodemdieren die door steltlopers als de scholekster en de tureluur graag gegeten worden. Staat het water hoog, dan is het na hard werken goed rusten op de schorren maar vooral achter de dijken in de inlagen en karrevelden. Je kunt dus aan de vogels zien of het laag- of hoogwater is!

 

De naam visdief laat weinig te raden over, maar ook zilvermeeuwen, futen, aalscholvers, bontbekplevieren en middelste zaagbekken zijn echte viseters. Eenden verdwijnen regelmatig met hun kop onder water om boven te komen met een snavel vol eten. Vaak zie je alleen hun achterste parmantig uit het water steken. Duikeenden verdwijnen zelfs helemaal onder water. De meeste eenden zijn met hun platte snavels op zoek naar plantaardig voedsel en kleine bodemdieren.

 

Internationaal

De Oosterschelde ook internationaal een belangrijk gebied voor trekvogels. Sommige vogels, zoals de rosse grutto, gebruiken de Oosterschelde als tussenstop op hun reis naar Afrika, waar ze overwinteren. En ook op de terugreis naar de broedgebieden komen ze weer langs. Andere vogels, zoals de tureluur, lijken hier het hele jaar rond te zijn. Schijn bedriegt... de tureluurs die broeden rond de Oosterschelde vertrekken in het najaar naar Afrika om te overwinteren. Terwijl de tureluurs die hier overwinteren in het voorjaar terugvliegen naar noordelijke streken zoals IJsland om daar te broeden.

 

Ganzen hoor je al van ver, ze eten in de winter in grote aantallen op gras- of akkerland hun buikje rond. Ganzen voeden zich met planten. In het voorjaar vertrekken ze weer. Alleen de totgans is in de zomermaanden in de Oosterschelde te vinden. Je herkent hem doordat hij steeds zijn naam roept: rot rot rot. De brandgans is een echter wintergans en wordt daarom ook wel vriesgans genoemd.

 

Broeden

Veel steltlopers zoals de scholekster, kluut en tureluur broeden in inlagen en karrevelden achter de dijken, ook kolonies kokmeeuwen en visdiefjes maken daar hun nesten. Op Neeltje Jans nestelen veel storm-, zilver- en kleine mantelmeeuwen, maar ook de zeldzame dwergstern en steltlopers als bontbekplevieren en strandplevieren hebben Neeltje Jans ontdekt. Steltlopers broeden daarnaast ook op buitendijkse schorren en dijkhellingen.