Zoutplanten

Planten die op schorren, slikken, zeedijken en inlagen groeien worden ook wel 'zoutplanten' genoemd. Niet omdat ze van zout houden, maar omdat ze er beter tegen kunnen dan andere planten. De één nog beter dan de ander. Iedere 'zoutplant' heeft dan ook zijn eigen plekje op het schor of op ander zilt (=zout) plekje. De omstandigheden moeten precies goed zijn. Om niet te veel zout binnen te krijgen, moeten zoutplanten tevreden zijn met een heel klein beetje zoet water en daar heel zuinig mee zijn. Iedere plant heeft zijn eigen foefjes tegen het zoute water (zie verderop in dit artikel)

 

Door het achtergebleven zout in de bodem groeien ze langzaam. Veel soorten, waaronder lamsoor, bloeien massaal in de nazomer. Dit kleurt het hele schor dat dan op z'n mooist is. In de herfst sterven de meeste schorplanten af, sommige alleen bovengronds. Zeekraal is een echte pionier van het natte deel van het schor.

 

Sommige zoutplanten worden door mensen gegeten. Zeekraal en zeeaster zijn voor sommige mensen een delicatesse. Ze worden verzameld en gekweekt als groente. Zeeasterbladen heten in de groentewinkel "lamsoren", wat heel verwarrend is. Om zeegroenten te snijden is een vergunning nodig.

 

Foefjes

De meeste proberen zo min mogelijk zout water op te nemen en zoet water te verdampen, ook al staan ze er middenin! Door allerlei aanpassingen: dikke, vettige blaadjes, fijnverdeelde blaadjes, gras- of naaldachtige blaadjes proberen ze dat kleine beetje water zo lang mogelijk vast te houden en minder te verdampen.

 

De kleur, vaak grijsgroen, kan ook nog een handje helpen om de verdamping tegen te gaan. Planten als lamsoor en engels slijkgras 'spugen' het overtollige zout gewoon uit! Je ziet dan zoutkristallen op het blad.