Natuur

Enorme variatie

In het Oosterscheldegebied tref je veel verschillende planten en dieren aan. Door de verschillende biotopen van zout en zoet water, van diep naar ondiep water, van sterke naar zwakke stroming en de aanwezigheid van slikken, schorren en kunstmatige rotskusten, zijn er veel verschillende ecosystemen ontstaan. In elk klein ecosysteem gedijen weer andere planten en dieren.

 

Zorgen voor het behoud van natuurgebieden en het beschermen ervan is een taak van Europa, het Rijk en van de Provincie. Er zijn in Zeeland 16 natuurgebieden, waaronder de Oosterschelde, die deel uitmaken van een Europees netwerk van natuurgebieden waar diersoorten en plantensoorten voorkomen die belangrijk zijn voor de biodiversiteit.

 

Dit netwerk heet Natura 2000. Op het Geoloket van de provincie Zeeland staat kaartmateriaal waarop de Natura 2000 gebieden staan aangegeven. Ook is daar informatie te vinden over bijvoorbeeld de aangewezen spitlocaties en zeehondentellingen.

Zeehonden

Zeehonden kun je met laag water zien, als ze liggen te zonnen op zandbanken, vlak bij een geul. De favoriete plekken waar ze rusten zijn op de Roggenplaat en op de kop van de Vondelingsplaat.

 

Eind jaren '70 was de zeehond vrijwel uitgestorven door jacht, vervuiling en rustverstoring. Nu is er vooral in de monding van de Oosterschelde weer regelmatig een groep van ongeveer 25 dieren te zien. Zij worden niet gehinderd door de stormvloedkering en zwemmen er gewoon door. Het zijn zowel zeehonden die er spontaan gekomen zijn, als zeehonden die na revalidatie in Pieterburen hier zijn uitgezet.

 

Dit zijn vrijwel altijd “gewone zeehonden”, maar ook de grijze zeehond komt hier voor. Ze eten vier tot acht kilo vis per dag, het liefst platvissen (bijv. schol en bot), die ze uit de diepe geulen halen. In het wild kunnen ze tussen 20 en 30 jaar oud worden. Ze worden dan bijna 2 meter lang en wegen ruim 100 kilo!

 

In het water zijn ze niet erg bang van mensen (ze zwemmen wel 35 kilometer per uur), op een zandbank wel. In de zomer, als de jongen geboren worden, is het erg belangrijk dat de zeehonden met rust gelaten worden. De jongen hebben de hele laag-water-periode nodig om voldoende melk te drinken! Als ze te veel worden verstoord, dan krijgen ze niet genoeg drinken binnen en verzwakken.

 

Jonge zeehonden hebben een zachte witte vacht. Als ze door verstoring hun moeder kwijt zijn, maken ze een geluid als een huilende baby; daarom worden ze “huilers” genoemd.

 

Zeehonden kunnen zowel op het droge als in het water slapen. In het water slapen ze rechtop drijvend als een grote dobber, horizontaal drijvend of op de bodem. Onder water sluiten ze hun neus en oren af en kunnen dan een dutje van ongeveer een half uur doen, daarna wordt het weer tijd om even adem te halen.

Bruinvissen

Behalve de zeehond komt nog een ander zoogdier voor in de Oosterschelde: de bruinvis. Van een zwemmende bruinvis zie je meestal niet meer dan het bovenste deel van de rug met de rugvin, als het dier even boven water komt om te ademen.

 

Bruinvissen springen bijna nooit boven het water uit, in tegenstelling tot de meeste dolfijnen. Daardoor, en omdat ze zo klein zijn, valt het niet mee om bruinvissen op zee te zien, zeker niet bij een flinke golfslag. Een volwassen bruinvis is ongeveer 1,5 meter lang en weegt 55 kilo. Hij is van boven grijsachtig en van onder licht gekleurd. Hij leeft in kleine groepen van 3 a 4 dieren.

 

Met behulp van geluid (en vooral ook echo's) sporen bruinvissen vissen op, nemen ze obstakels waar en hebben ze onderling contact. De bruinvis eet vooral ansjovis en jonge haring. Dit is erg vette vis en bevat veel energie. De rust onder water wordt soms wreed verstoord door natuurlijke geluidsbronnen, zoals storm of een harde regenbui. Als er te veel geluid is, kan de bruinvis zich niet meer goed oriënteren. Hij trekt zich dan terug naar dieper water. Tegenwoordig zijn het vooral menselijke geluidsbronnen die de rust verstoren, bijvoorbeeld de motoren van boten. De Oosterschelde is relatief stil.

 

Heb je een bruinvis gezien dan kan je hem zetten op de kaart van de bruinvisspotter op de ontdekkaart. Op deze kaart kan je gelijk zien of er nog meer bruinvissen in de buurt zijn. Hoe meer meldingen hoe groter de kans is om ze te zien.

Wondere onderwaterwereld

Valt er nu echt wat te zien onder water? Jazeker. Duikers die in de Caribische zee of de Indische Oceaan hebben gedoken, zijn verrast door de verscheidenheid aan leven in de Oosterschelde. Juist onder water is een enorme diversiteit aan leven te ontdekken.

 

Op en in de zandige bodem leven brokkelsterren, platvissen, sepia's, weduwerozen, garnalen, schelpdieren en allerlei soorten wormen. Tussen de stenen van dammen en dijken leven krabbetjes en kreeften. Kleurige zeeanjelieren, mosselen, zakpijpen en wieren zetten zich vast op de harde ondergrond van dijken en stenen. Ook meerpalen, onderkanten van boten en zelfs trossen die in het water hangen raken begroeid!

 

Gewapend met een duikbril en snorkel kun je al een duik nemen in deze onderwaterwereld, pas wel op voor stroming!

Zoutplanten

Planten die op schorren, slikken, zeedijken en inlagen groeien worden ook wel 'zoutplanten' genoemd. Niet omdat ze van zout houden, maar omdat ze er beter tegen kunnen dan andere planten. De één nog beter dan de ander. Iedere 'zoutplant' heeft dan ook zijn eigen plekje op het schor of op ander zilt (=zout) plekje. De omstandigheden moeten precies goed zijn. Om niet te veel zout binnen te krijgen, moeten zoutplanten tevreden zijn met een heel klein beetje zoet water en daar heel zuinig mee zijn. Iedere plant heeft zijn eigen foefjes tegen het zoute water (zie verderop in dit artikel)

 

Door het achtergebleven zout in de bodem groeien ze langzaam. Veel soorten, waaronder Lamsoor, bloeien massaal in de nazomer. Dit kleurt het hele schor dat dan op z'n mooist is. In de herfst sterven de meeste schorplanten af, sommige alleen bovengronds. Zeekraal is een echte pionier van het natte deel van het schor.

 

Sommige zoutplanten worden door mensen gegeten. Zeekraal en Zeeaster zijn voor sommige mensen een delicatesse. Ze worden verzameld en gekweekt als groente. Zeeasterbladen heten in de groentewinkel "lamsoren", wat heel verwarrend is. Om zeegroenten te snijden is een vergunning nodig.

Wieren

Wieren zijn de planten van de zee. Ze bestaan niet uit een wortel, steel en blad, maar uit vertakt loof, ofwel de thallus, dat soms wel lijkt op een stengel en blad. Ze zijn slap, maar door de opwaartse druk van het water staan ze rechtop en hebben ze geen houtige delen nodig.

 

Wieren hebben een harde ondergrond nodig om zich vast te hechten met hun zogenaamde voet. Je kunt ze vinden op de glooiing van de zeedijk en aangespoeld op het strand. De wieren komen in verschillende dieptes op de glooiing voor. Bovenaan zit het groenwier, daarna komt het bruinwier en daaronder het roodwier.

 

Algen

Ook algen zijn familie van de wieren. Door de goede waterkwaliteit zijn er veel algen in de Oosterschelde. Dat is belangrijk, want veel kleine diertjes eten die algen. Die kleine diertjes worden dan weer gegeten door iets grotere diertjes, enz. Hierdoor staan algen onder aan de voedselketen van Oosterschelde.

Foefjes tegen het zoute water

De meeste proberen zo min mogelijk zout water op te nemen en zoet water te verdampen, ook al staan ze er middenin! Door allerlei aanpassingen: dikke, vettige blaadjes, fijnverdeelde blaadjes, gras- of naaldachtige blaadjes proberen ze dat kleine beetje water zo lang mogelijk vast te houden en minder te verdampen.

 

De kleur, vaak grijsgroen, kan ook nog een handje helpen om de verdamping tegen te gaan. Planten als lamsoor en engels slijkgras 'spugen' het overtollige zout gewoon uit! Je ziet dan zoutkristallen op het blad.

Vogels

Grote aantallen vogels en vogelsoorten vinden in en rond de Oosterschelde voedsel, rust en een plek om te broeden.

 

Als het in de Oosterschelde laag water is, dan scharrelen veel vogels hun maaltje bij elkaar op de drooggevallen slikken en platen. Er lopen veel bodemdieren die door steltlopers als de Scholekster en de Tureluur graag gegeten worden. Staat het water hoog, dan is het na hard werken goed rusten op de schorren maar vooral achter de dijken in de inlagen en karrevelden. Je kunt dus aan de vogels zien of het laag- of hoogwater is!

 

De naam Visdief laat weinig te raden over, maar ook Zilvermeeuwen, Futen, Aalscholvers, Bontbekplevieren en Middelste Zaagbekken zijn echte viseters. Eenden verdwijnen regelmatig met hun kop onder water om boven te komen met een snavel vol eten. Vaak zie je alleen hun achterste parmantig uit het water steken. Duikeenden verdwijnen zelfs helemaal onder water. De meeste eenden zijn met hun platte snavels op zoek naar plantaardig voedsel en kleine bodemdieren.

 

Internationaal

De Oosterschelde ook internationaal een belangrijk gebied voor trekvogels. Sommige vogels, zoals de Rosse Grutto, gebruiken de Oosterschelde als tussenstop op hun reis naar Afrika, waar ze overwinteren. En ook op de terugreis naar de broedgebieden komen ze weer langs. Andere vogels, zoals de Tureluur, lijken hier het hele jaar rond te zijn. Schijnt bedriegt... De Tureluurs die broeden rond de Oosterschelde vertrekken in het najaar naar Afrika om te overwinteren. Terwijl de Tureluurs die hier overwinteren in het voorjaar terugvliegen naar noordelijke streken zoals IJsland om daar te broeden.

 

Ganzen hoor je al van ver, ze eten in de winter in grote aantallen op gras- of akkerland hun buikje rond. Ganzen voeden zich met planten. In het voorjaar vertrekken ze weer. Alleen de Rotgans is in de zomermaanden in de Oosterschelde te vinden. Je herkent hem doordat hij steeds zijn naam roept: rot rot rot. De Brandgans is een echter wintergans en wordt daarom ook wel vriesgans genoemd.

Broeden

Veel steltlopers zoals de Scholekster, Kluut en Tureluur broeden in inlagen en karrevelden achter de dijken, ook kolonies Kokmeeuwen en Visdiefjes maken daar hun nesten. Op Neeltje Jans nestelen veel Storm-, Zilver- en Kleine mantelmeeuwen, maar ook de zeldzame Dwergstern en steltlopers als Bontbekplevieren en Strandplevieren hebben Neeltje Jans ontdekt. Steltlopers broeden daarnaast ook op buitendijkse schorren en dijkhellingen.

Zandhonger

Op platen en slikken is het een komen en gaan van zand. In een gezonde zeearm is sprake van balans. Bij storm woelen hoge golven het zand van slikken en platen los en laten het wegstromen naar de geulen. Bij rustig weer maakt de vloedstroom het verlies weer goed: die schuurt het zand uit de geulen en brengt het terug naar de slikken en platen.

 

In de Oosterschelde is de balans verstoord door de aanleg van de Oosterscheldekering. De hoge golven voeren het zand nog steeds van de platen weg, maar de vloedstroom is te zwak om het terug te brengen. Al het zand dat in de geulen belandt, blijft daar liggen. Het lijkt alsof de geulen iedere korreltje hongerig in zich opnemen: de geulen hebben zandhonger.

Gevaar voor natuur en veiligheid

De zandhonger knabbelt jaarlijks zo'n 100 voetbalvelden van de droogvallende slikken, platen en schorren af. Zonder ingrijpen zou aan het einde van deze eeuw nagenoeg alles verdwenen zijn. Vogels moeten van een steeds kleinere tafel eten. Zeehonden verliezen zo hun leefgebied. Ook voor mensen gaat veel verloren: de parel van Zeeland verliest zijn glans.

 

Daarnaast worden de golven door het afkalven van zandplaten niet meer geremd en slaan ze met meer geweld op de achterliggende dijken. Zo worden de dijken heviger aangetast, wat een gevaar kan zijn voor de veiligheid in en rond de Oosterschelde.

 

In dit filmpje leggen de zilverplevieren Duko en Pien de zandhonger uit.